Selecteer een pagina

Het gieren. Een beter woord is er niet. Voor het piepen, schuren, janken en huilen van de storm. Het wakker liggen. In mijn herinnering altijd van zondag op maandag. Vroeg naar bed, het vliegtuig van half acht, dus vijf uur er uit, maar geen oog dicht, want doodsbenauwd. De vliegangst. Min of meer verdrongen door veel te vliegen, twee of drie keer per week; instappen als in de bus. Behalve wanneer het stormde, meestal op maandagmorgen.

Het schudden. De Dornier twaalfzitter van Flexair, nietig als een luciferdoosje op een wilde bergrivier. Stuurloos, zo voelde het aan, stortte het zich op het landingsbaantje van Londen City Airport. Over de schouder van de piloot was het zicht afwisselend op hemel en op aarde, op rivier en op kade, en op veel kantoorgebouwen. Het kon duidelijk nog alle kanten op. Het bidden. Geen dagelijkse gewoonte. Besmuikt, want ongeadresseerd en ongelovig, maar intens. En dan het landen – na een eeuwigheid – het stuiteren, het slippen, het remmen en de stilte. DE STILTE. Euforisch van binnen, maar uiterlijk onbewogen, want business as usual.

Morgen weer maandag, maar nooit meer naar Londen. Heerlijk, die herfststorm.