Otto wilde wel doctorandus worden en dus kwam hij bij ons. Dat wil zeggen, wij hadden een vraagstuk en hij wilde daar graag zijn afstudeeropdracht van maken. Hij deed economie in Tilburg, was net terug van een jaar aan de universiteit van Wisconsin en had er zin in. Op de eerste dag dronken we samen een kop koffie en maakte ik hem een beetje wegwijs. Toen hij naar zijn bureau ging gaf ik hem een telefoonlijst mee: “Maak om te beginnen daarvan maar eens een kopietje van voor jezelf.”

Tien minuten later zat ik met een paar anderen te praten, toen er werd geklopt. In de deuropening stond Otto met verbijstering op zijn gezicht. Hij hoefde niet veel te zeggen: de telefoonlijst in zijn hand bestond voor de helft uit rafels, het restant had hij met alle macht gered van de versnipperaar. 

“De kopieermachine…” was wat hij nog kon uitbrengen, voor ik snel de deur dicht drukte. Hij moet er op de gang iets van hebben gehoord; het gesteun en gestommel van drie mensen die over de tafel gebogen lagen, geluidloos naar adem happend.

Natuurlijk heb ik hem later die morgen getroost en een bezorgde collega heeft hem nog wel een keer koffie gebracht, op zijn kamertje, maar Otto is er niet echt meer overheen gekomen. Hij heeft nog wel een aanvang gemaakt met zijn afstudeeropdracht, maar na een paar weken liep hij toch vast. Toen is hij maar op zoek gegaan naar een uitdaging “waarin hij meer van zichzelf kwijt kon.” 

Maanden later kreeg ik een e-mail van Otto. Hij was met succes afgestudeerd en schreef dat hij op zoek was naar een baan. “Dit is geen sollicitatie hoor!”, had hij er maar bijgeschreven.

Deel dit